Meditatie

“Het is de Heer………

want zij wisten dat het de heer was.”

Johannes 21, 7 en 12

De discipelen waren naar Galilea gegaan, want Jezus had hun gezegd dat ze daar op Hem moesten wachten. Petrus zei tot de anderen: Ik ga vissen. “Wie gaat er mee?” Ze gingen graag met Petrus mee. Zo bleven ze samen en hoefden niet werkeloos af te wachten. Werken kan geen kwaad, zeiden ze vroeger. Maar ja, soms zit het helemaal niet mee in het werk. Zo verging het ook de discipelen. Het zat hen niet mee en tegen de morgen keerden zij doodmoe terug. En toen gebeurde het! Zij zagen een man staan aan de oever van het meer. Hij vroeg hen: “Hebben jullie ook wat te eten?”  De discipelen antwoordden met een hard “nee”. Zij waren niet in de stemming om aardig en vriendelijk te zijn. Die man zei toen tegen hen: “Gooi het aan stuurboord uit en dan lukt het wel!” Dat was raar, want geen visser doet dat. Aan de stuurboordkant van het schip zat de stuurriem en daar zou het net in verstrikt kunnen raken. Maar het advies van die man klonk zo dwingend en overtuigend, dat zij het toch maar deden. En dan kunnen ze hun ogen niet geloven! Het net loopt helemaal vol met vissen. Zoiets hadden ze nog nooit beleefd! En opeens gaan hun ogen helemaal open: die man, die man, dat is Jezus! Johannes merkt het ‘t eerst. “Het is de Heer”, roept hij Petrus toe. Petrus kijkt op. De Heer? Jezus? Ja, Hij is het! Meteen slaat hij zijn jas om en stapt over boord. Met sterke passen waadt hij op Jezus af. De anderen volgen langzaam, vanwege het net dat zwaar is van de vis. Wanneer ze aan land gekomen zijn en gaan tellen, merken ze dat er honderd drie en vijftig vissen in het net zitten, een overvloedige vangst. Ze leggen een houtvuur aan en gaan er om heen zitten. Er is brood en vis om te eten en net als vroeger deelt Jezus het voedsel uit. Heel raar eigenlijk. Want ze begrijpen natuurlijk heel goed, dat het niet als vroeger kan zijn. Daarvoor is er veel te veel gebeurd. Al die ellende die ze met Jezus hebben meegemaakt, en tenslotte zijn kruisiging. Ze waren toen maar weggelopen, want dat konden ze niet aanzien. Alleen Johannes was bij het kruis gebleven. Daar dachten ze allemaal aan. En niemand durfde te vragen: “Bent U werkelijk Jezus? Bent U het werkelijk Zelf?” Zij hoefden het ook niet te vragen. Want zij wisten, dat het de Heer was. Ze eten zwijgend, in gepeins verzonken, en wachten af wat Jezus gaat doen. We kunnen ons indenken, hoe Jezus Zijn discipelen aankijkt, met een liefdevolle blik. Allemaal gewone mannen, verschillend in aanleg en karakter. Mannen, die een stukje brood met vis eten en er verder het zwijgen toe doen. Blijkbaar zit het Evangelie in gewone dingen. Het zijn de kleine dingen, die ‘t hem doen. Geen spektakelstukken, geen omhaal van woorden. De spontane opwellingen van het hart, dat is voldoende. Een Petrus, die zo maar over boord springt. En Jezus, die gewoon zegt: “Laten we eten” en daarna brood en vis uitdeelt. Zó ontmoet de Heer mensen. Zou het daarom ook niet gaan, als Jezus zegt: “Al wat gij de minste van mijn broeders gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan”? Een stuk brood, een beker water, kleding, geld voor de voedselbank of voor Kerk in Actie? Maar ook een welgemeende handdruk, een schouderklopje, een hartelijke zoen, een vriendelijk woord, belangstelling voor elkaar en stil zijn met elkaar, als iemand verdriet heeft.

Als we al die dingen gewoon maar doen en zó liefdevol met elkaar communiceren, dan hebben ook wij de Heer ontmoet. Dan is het echt Pasen geweest voor ons. En wie weet, komen we Hem dan ineens zelf tegen! Of wij Hem direct zullen herkennen, weet ik niet. Maar Hij zal Zich Zelf wel kenbaar maken, denk ik. Wat een ontmoeting zal dat zijn!

Geertje Bodde

 

 

 

Reacties zijn gesloten.